De adelaars die dachten dat ze kippen waren. Ben jij de adelaar of de kip?

De ontdekking van de hemel

Of: De adelaars die dachten dat ze kippen waren

Door Mychal Wynn

Ook te beluisteren als audio.

Er was eens…

Er was eens een machtig Koning die een groot koninkrijk regeerde. Hij was een wijs en barmhartig koning die de liefde, bewondering en het respect van het volk had verdiend.

Aan de rechterzijde van zijn troon zat een grote arend, die iedere dag opsteeg naar de wolken. En als de adelaar het hele koninkrijk doorkruiste, keken de mensen met trots naar de hemel, want deze adelaar stond symbool voor de grootsheid van het koninkrijk.

Het land was rijk aan natuurschoon en delfstoffen. Het volk was vol van trots op hun rijke bezittingen aan cultuur en erfgoed.

Maar op een dag kwamen er slavenschepen en was er een groot gevecht waarin het koninkrijk omver werd geworpen. De mensen werden gevangen genomen en de grote arend werd in een kooi gezet en samen met de mensen aan boord van een slavenschip gebracht.

De adelaar, die alleen maar vrijheid kende, kon niet in een kooi leven en stierf tijdens de Middenpassage tussen Afrika en Amerika.

Na de dood van de adelaar, ging een scheepsjongen naar de kapitein van het slavenschip en zei:

“Kapitein, de grote arend is overleden, maar ze heeft drie eieren gelegd.”
De kapitein lachte en zei: “Ach, leg die eieren maar bij de kippen!”

De kapitein wist dat deze grote arend het laatst overgebleven symbool was van het rijke culturele erfgoed van de mensen die hij gevangen had. Haar eieren zouden worden uitgebroed en opgevoed als kippen en op die manier zouden de arenden het symbool worden van zijn verovering.

In de kippenren

Nadat het slavenschip de reis naar Amerika had voltooid, werden de eieren van de adelaar, samen met de kippeneieren, meegenomen naar de plantage en in de kippenren geplaatst. Korte tijd later waren de eieren uitgebroed en twee jongens en een meisje adelaar waren geboren. De kippen lachten om de baby adelaars.

“Ha, ha, ha. Wat een lelijke kippen!”
“Moet je eens zien: Wat een grote hoofden en een korte nek.”
“En kijk eens hoe lang en buiten proportie hun vleugels zijn.”

De jonge adelaars waren het voorwerp van de niet aflatende stroom aan spot en hoon van de kippen. Het kon niet anders of ze gingen zich lelijk en minderwaardig voelen. Zich onbewust van de grootsheid van hun cultuur en erfgoed, liepen zij de hele kippenren door met hun hoofden naar beneden, met het gevoel dat ze inderdaad domme en lelijke kippen waren.

Nog een adelaar gevangen …

Het slavenschip maakte nog een reis naar Afrika. Een ander koninkrijk werd omvergeworpen en ook daar werd een grote arend gevangen genomen. Maar, deze adelaar overleefde de overtocht en toen het slavenschip terugkeerde in Amerika, werd de adelaar gekortwiekt en in de kippenren gegooid.

Maar de geest van de adelaar was niet gebroken. Hij sloeg zijn vleugels wanhopig uit in een poging te vliegen. De kippen lachten om de gefrustreerde inspanningen van de dwaze “lelijke kip.”

“Wat probeer je te doen, jij domme, lelijke kip? Kippen kunnen niet vliegen!”

Maar de adelaar antwoordde: “Ik ben niet dom, ik ben ook niet lelijk en ik ben zeker geen kip!”

De adelaar wendde zich tot de andere arenden, die dachten dat ze kippen waren, en hij sprak tot hen: “Wij zijn geen kippen. We komen uit een land dat rijk is aan geschiedenis en cultuurbezit. Wij zijn niet geboren om als kippen te lopen. Wij zijn geboren om door de wolken te zweven. Wij zijn de symbolen van een groot en trots volk.”

Hij richtte zich tot de kippen en gilde naar hen: “Wees nu stil jullie dwaze kippen!”

De kippen werden bang voor de brutale en arrogante kip. Verbijsterd renden ze naar de hanen en ze vertelden hen hoe brutaal hij was.

Nu waren er drie hanen die regeerden over het kippenerf. Toen ze hoorden van deze arrogante kip, gingen ze naar de adelaar toe en bevolen hem te stoppen met zijn trotse gedrag en het veroorzaken van zo veel commotie in de kippenren.

Maar de adelaar sprak vrijmoedig tot de haan: “Hoe durf je mij een kip te noemen. Ik ben een adelaar!”
De hanen waren geschokt door de vrijmoedigheid van de lelijke kip en ze vielen hem meteen aan.
De adelaar met zijn geknipte vleugels geknipt was geen partij voor de drie hanen. De hanen pikten en klauwden totdat hij op de grond lag, geslagen en verslagen. De haan en de kippen lachten om de overwonnen adelaar. Een van de hanen wendde zich tot de andere adelaars en zei: “Jullie domme, lelijke kippen kunnen maar beter geen problemen veroorzaken of jullie staat hetzelfde te wachten!”

De adelaars, bang voor de hanen, bogen hun hoofd, draaiden zich om en liepen weg. De grote arend sleepte zich tenslotte naar een hoek van het kippenerf waar hij verslagen ging liggen. De kippen bleven hem beschimpen en de adelaar lag daar maar, dag na dag.

Op een dag op het kippenerf

Op een ochtend toen de kippen naar buiten kwamen, zagen ze de grote adelaar niet meer in de hoek liggen. Er ontstond hevige onrust want de kippen en de adelaars, die dachten dat ze kippen waren, vroegen zich af: wat is er gebeurd met de lelijke kip.

Toen de hanen hoorden dat de kip die zij hadden verslagen, niet meer in de hoek van het erf lag, begonnen ze te kraaien.
Een van de hanen vroeg: “Waar is die lelijke kip? Als hij weer problemen veroorzaakt, zullen we hem wel even een ander lesje leren!”
Op dat moment, wees een van de kippen naar de bovenkant van de omheining en schreeuwde: “Daar is ie!”
En inderdaad, boven op de afrastering, zat de grote arend wiens wonden waren geheeld en wiens gekortwiekte vleugels weer volgroeid waren.

Een van de kippen riep: “Jij domme kip! Je kunt maar beter van dat hek af komen, want kippen kunnen niet vliegen!”

Een van de hanen riep: “Jij domme kip, we zullen je nu eens echt een lesje leren!”

En een van de adelaars, die dacht dat ze kippen waren, riep: “Je kunt beter naar beneden komen want je brengt ons allemaal in de problemen.”
Maar de grote arend negeerde de vraag van de kip, dreiging van de haan en hij richtte zich tot de adelaar.

“Mijn broer, wij zijn geen kippen. Zoals ik al zei toen ik hier gebracht werd, wij zijn adelaars. Wij zijn afstammelingen van een sterk en trots volk. Onze afkomst is er een van grootheid en machtig cultuurbezit. Wij zijn niet geboren om zoals kippen te lopen, wij zijn geboren om hoog in de lucht te vliegen. Kom met me mee. Spreid je vleugels en vlieg!”

De grote arend sprak met kracht en autoriteit. Een van de adelaars op de grond werd getroffen door het lef en de overtuiging van zijn woorden, hief zijn hoofd en spreidde zijn vleugels. Terwijl hij met zijn vleugels sloeg, werd hij een paar meter van de grond getild, maar hij werd bang en hij viel terug op de grond.

De hanen en kippen lachten allemaal om de domheid en arrogantie van deze grote arend om deze lelijke kippen te vertellen dat ze konden vliegen.
Maar de grote arend sprak opnieuw: “Vertrouw me maar, broeders. Kom met me mee, zus, je kunt het. Jullie hebben de macht om hoog in de lucht te vliegen.”
Hierdoor aangemoedigd, sloeg de adelaar opnieuw zijn vleugels uit. En nu steeg hij op, hoog boven de kippenren uit.

De kippen en hanen, stomverbaasd en volkomen verrast, konden niet anders dan toekijken hoe deze grote vogel, die alleen schande en spot had gekend in zijn leven, die geloofde dat hij dom en lelijk was, nu met trots en hervonden waardigheid hoog boven de ren uitsteeg. Inderdaad, zijn vleugels waren mooi en sterk.

Het jonge adelaarsmeisje had niet meer aansporing nodig. Zij begon gewoon te rennen, als een vliegtuig op een startbaan, wapperend met haar vleugels.
Vol trots en met gratie steeg ze op, zich niet langer een domme, lelijke kip voelend, maar zich haar glans en schoonheid realiserend.

De grote arend wendde zich tot de laatst overgebleven jonge adelaar en zei: “Kom jij nu toch ook met ons mee, broer. Je hoeft alleen je vleugels te spreiden en je vliegt.”

Maar de jonge adelaar boog zijn hoofd en zei: “Dat kán ik niet, ik ben een kip. Kippen kunnen niet vliegen.”

De oudere adelaar wist dat zijn broertje te lang onder spot en hoon heeft moeten leven. Zijn geest was geknakt, zijn eigenwaarde verpletterd en zijn zelfbeeld vernietigd. Hij kon, onwetend van de rijkdom van zijn cultuur, de schittering van zijn volk, of het land waaruit afkomstig was, niet geloven dat er zo’n plek bestond of dat hij de kracht had om te vliegen.

De grote adelaar spreidde zijn enorme vleugels en bedekte met zijn schaduw de kippenren. Het leek hierdoor wel of  zich een maansverduistering voordeed.
Tegen de enig achtergebleven arend op de grond, die vol bleef houden dat hij een kip was, zei hij: “Ik zal voor je bidden, mijn broer, dat je op een dag de rijkdom van je culturele erfgoed zult begrijpen. Dat jij, ook jij, ons zal vergezellen, want ons lot ligt in de wolkenhemel.”

Dat gezegd hebbend, sloeg hij zijn vleugels uit en met pracht en majesteit steeg hij ten hemel. Hij voegde zich bij de andere twee adelaars.

“Kom, mijn broer en zus. We moeten op reis door dit land, want er zijn nog veel adelaars die als kippen leven, met gekortwiekte vleugels en gebroken geesten.”

En sinds die dag stijgen adelaars over de hele wereld op, om anderen te helpen geloven in hun schoonheid, hun glans, hun potentieel en de ongekende mogelijkheden in hun leven.